Wat hebben een schapenhouderij in Moergestel, de eerste Surinaamse opera en een ritje met een toeristentrein met elkaar gemeen? Al deze onderwerpen keren terug in voorstellingen die zijn gemaakt door Brabantse of aan Noord-Brabant gelieerde theatermakers en waren te zien op Festival Boulevard. We lichten er een paar uit en staan vooral stil bij de nieuwe generatie makers.
Laten we met het treintje beginnen. Daar kan niemand tijdens Festival Boulevard omheen. Theater Artemis rijdt het publiek, veel gezinnen met jonge kinderen, tijdens de voorstelling ‘Arty Farty in the Playground’ met een toeristentreintje door hartje Den Bosch. Dat is op zich al een beleving. Onderweg ontmoeten de toeschouwers curator Liesbet Swings. Zij vertelt dat speeltuinen in steden een soort van readymade zijn, kunstwerken op zich.De toeristentrein reist langs drie speelplekken in de stad. Onderweg zijn kinderliedjes en fragmenten uit kinderseries te horen. Bij de speeltuinen, tussen de klimrekken en wippen, zijn korte voorstellingen van performancekunstenaars. Zo ziet het publiek Rob Smorenberg aan het werk. In de speeltuin bij de smalle Bleekerstraat duikt hij in een boodschappentas van supermarkt Dirk waarna hij in de grond verdwijnt, onzichtbaar voor het publiek. Toch gebeurt er van alles, speeltoestellen komen in beweging.
Enkele dagen uit het leven
Bij de Citadel van ’s-Hertogenbosch is tijdens Boulevard de voorstelling ‘Komt dat zien’. Het stuk speelt tegen de achtergrond van het Beleg van de stad in 1629. ’s-Hertogenbosch is bezet door de Spanjaarden en de staatse troepen van prins Frederik Hendrik proberen de stad te ontzetten. Dat gaat gepaard met geweld en plunderingen. De voorstelling beschrijft enkele dagen uit het leven van de reizende theatertroep van Quintus Quirulinus. De groep heeft een groot dilemma. Een gezant van de prins wil dat ze gaan spelen voor de staatse legers, maar ze weten tegelijkertijd wat een ravage die soldaten met plunderingen en moorden in Brabant hebben aangericht. ‘Komt dat zien’ is een avondvullende voorstelling die nog tot en met half september wordt gespeeld.
Kruiskamp
Dansgezelschap Corpo Máquina Society speelt tijdens het festival met drie professionals en zes kinderen in Kruiskamp in ’s-Hertogenbosch de voorstelling ‘Dances with the trees’. De bewegingen doen denken aan wortelstelsels van bomen. Zo waren er meer Brabantse gezelschappen op Boulevard: Het Zuidelijk Toneel, The100Hands en Schippers&VanGucht. Ook relatief nieuwe makers konden lieten zien wat zij in huis hebben, zoals Koen Frijns (Eindhoven), Mathieu Wijdeven (geboren in Tilburg, opgegroeid in Sprang-Capelle) en Roy Verhulsdonck, student aan cabaretopleiding Koningstheateracademie.
Schapenhoeden op een onbewoond eiland
Laten we ons eens verdiepen in schapen. Koen Frijns (1993) noemt het een seminar, maar in werkelijkheid is het een absurde monoloog. In zijn fijne solo ‘Schapenhoeden op een onbewoond eiland’ stelt Frijns, toneelschrijver en acteur, zichzelf voor als Koen Frijnsjes. Daardoor lijkt de rol dichtbij hemzelf te liggen. Theater blijkt weer eens verraderlijk misleidend – niets is wat het lijkt. Zijn personage is opgegroeid in een familie van schapenhoeders in Moergestel. Zijn vader is CEO van dat bedrijf en ook zijn moeder heeft een hippe, Engelstalige functie, zelf draagt hij de titel international senior agricultural. Deze korte, humoristische voorstelling was tijdens Festival Boulevard te zien in een tentje op stadsplein de Parade.
Powerpoint
Frijnsjes geeft aan de hand van een PowerPointpresentatie een uit de bocht vliegende lezing over de schapenhouderij: in Nederland, internationaal én op het Noorse eiland Willa Fyr waar een bijzonder sterk schapenras schijnt te leven. Er zijn er niet veel meer van, zo’n vijfhonderd. De schaapshouders in Nederland hebben het niet gemakkelijk, zo vertelt hij. De productie van wol is het ene moment beter dan het andere. Die conclusie ondersteunt Frijnsjes met tabellen en een grafiek. Gedetailleerd en langdurig volgt en beschrijft hij de dalende en stijgende lijnen in de grafiek. Hij neemt de tijd, echt de tijd, om dan uiteindelijk tot de voor de hand liggende conclusie te komen dat de productie van wol n de zomer anders is dan in de winter, de seizoenen hebben grote invloed. Nog een conclusie én lijfspreuk: investeren, realiseren, scheren. Op dat moment weet je dat het opletten is geblazen, de humor zit in de overdrijving, soms in de onzin en onzintermen die voorbij schuifelen.
Mee te nemen in de rugzak
Grafieken, tabellen, schapenhoeden is tegenwoordig een moderne onderneming met strakke businessmodellen en dat wil Frijnsjes maar graag uitdragen. Het familiebedrijf heeft internationale contacten, zo vertelt hij. In China, Finland, het land van Jari Litmanen, en in de Verenigde Staten, daar is veel kennis en zijn de omstandigheden anders, beter. Als hij verhaalt over zijn barre tocht naar het eiland Willa Fyr beschrijft hij uitvoerig wat allemaal van belang is om mee te nemen in de rugzak. Op de PowerPoint zijn afbeeldingen te zien van de attributen die hij aanbeveelt: soepvlees, basispakketten, koffiemelk, nog meer soepvlees, hele schappen van de supermarkt komen voorbij en international senior agricultural Frijnsjes neemt opnieuw alle tijd om de benodigdheden op te sommen. Het voelt als een plagerijtje, het prikkelen van het publiek, Een zakmes met een fluitje aan het eind gaat ook mee.
Parachutist in plaats van schapenfokker
De absurditeit van de lezing neemt hand over hand toe en dat geldt ook de verhalen over het tragische leven van zijn zus. Die trieste geschiedenis sijpelt langzaam binnen in de lezing, net als de emoties van Frijnsjes. Die krijgen een alsmaar belangrijker, aangrijpender aandeel in de solo. Zijn zus heeft geen zin in een toekomst als schapenhouder of schapenscheerder. Al die dode dieren, haar niet gezien. Zij wordt parachutist en of dat goed afloopt, deelt Koen Frijns met gevoel voor drama in de lezing waarbij hij steeds meer uitweidt. Zijn avontuur op het Noorse eiland, vooral zijn aftocht, zijn redding, is hilarisch, tragisch en onvoorstelbaar tegelijk.
De Brabantse toneelschrijver en acteur werkte eerder voor Het Zuidelijk Toneel en tgEcho. Ook is hij docent creatief schrijven bij kunstenopleiding ArtEZ Arnhem. Hij is verbonden aan het Eindhovense brabohopcollectief Frino dat eerder onder meer de voorstelling ‘Kuilkwark’ maakte. Dat is een knettergekke productie waarin Frijns springt, rent en als hoogtepunt een komisch onzinverhaal vertelt over Vlad, een Rus die niet geschikt is voor het Poetin-leger en daarom in Helmond ondergronds leeft als spion. In die voorstelling geeft Frijns vol gas, het is over the top vanaf de eerste seconde. In ‘Schapenhoeden op een onbewoond eiland’ laat hij een andere kant van zichzelf zien. Nog steeds is zijn verhaal doorspekt met nonsens, maar de opbouw is trager, iets subtieler en meer uitgebalanceerd. De humor en de absurditeiten – dat lijken zijn specialiteiten – dienen zich in het begin mondjesmaat aan, ze worden gaandeweg dieper uitgespit en tegen het eind grotesker.
Helstone & Het Pand der Goden
Mathieu Wijdeven (Tilburg 1991), theatermaker en filmmaker, is verbonden aan Theater Rotterdam. Hij maakte eerder naam met ‘Het waarom beantwoord’, een solo over en vooral een ode aan zijn betovergrootvader G.G.T. Rustwijk (1862-1914). Dat was een dichter en veelzijdig kunstenaar die in Suriname leefde in de periode net na de afschaffing van de slavernij. Voor ‘Helstone & Het Pand der Goden’ dat dit jaar op Oerol in première ging en nu was te zien op Festival Boulevard, verdiepte hij zich grondig in de eerste opera in Suriname: ‘Het Pand der Goden’. Zijn onderzoek startte met bronnenonderzoek en interviews. Hij reisde naar Suriname en zijn zoektocht resulteerde in een korte docu die hij verwerkte in een theatrale, filmische installatie. Ook die was te zien op festival Boulevard.
Het eindresultaat van het onderzoek is de avondvullende voorstelling ‘Helstone & Het Pand der Goden’. Het stuk stond tijdens het Festival Boulevard in de Verkadefabriek.
Surinamerivier
Net als G.G.T Rustwijk is Johannes Helstone (1853-1927) een bekende Surinamer. De componist en pianist is in 1853 geboren bij plantage Berg en Dal aan de Surinamerivier. Als kind kreeg hij muziekles van een Hernhutter-zendeling. Die zag zijn talent, waarna hij mocht gaan studeren aan het Conservatorium in Leipzig. De opera ‘Het pand der Goden’ is het meesterwerk van Helstone, hij maakte het in 1906. In 2024 is de muziek van deze opera nog uitgevoerd door het Concertgebouworkest in Amsterdam.
Mathieu Wijdeven speelt de voorstelling over de opera van Helstone met muzikante/pianiste Djuwa Mroivili en bariton en performer Frank Dolphin Wong. De drie brengen een verhaal over de culturele rijkdom van Suriname, een verhaal dat de meeste mensen niet kennen en al alleen al daarom verteld moet worden. De productie is opgebouwd uit meerdere elementen: de zoektocht van Mathieu Wijdeven naar Helstone, het levensverhaal van Helstone en fragmenten uit de opera. Delen daaruit worden op het podium live gespeeld en gezongen.
De relatie tussen mens en objecten
Op de vloer staan twee piano’s, een reguliere en een ‘broken’ piano met stokjes en balletjes op de snaren. Pianiste Djuwa Mroivili zit met de rug naar het publiek en speelt. Ook zijn er draaiende sokkels op de vloer met daarop steeds meer beeldjes: van Helstone, van Rustwijk, ook van een boom, van sterren (symbool van de Hernhutters) en schepen. Die beeldjes ondersteunen het verhaal en passen bij de werkwijze van Mathieu Wijdeven, die is gefascineerd door de relatie tussen mens en objecten. De opera speelt in een mythisch rijk met mensen en reuzen, de goden zijn belangrijk. Als een reus een dochter krijgt, wordt zij als straf voor de vader ontvoerd door goden. Daarna krijgt de reus een zoon: Olindo.
Impressie van de opera
De spelers op de vloer hebben meerdere rollen, zo speelt Wijdeven Olindo die op zoek gaat naar zijn zus, Djuwa Mroivili is zijn moeder. Frank Dolphin Wong is onder meer poortwachter bij een ondergronds rijk en een Hernhutter. Bijzonder zijn ook de twee theaterstoelen vooraan op de vloer. De zittingen klappen daarvan vanzelf dicht als een stem is te horen, onder meer van een gids in een boot op de Surinamerivier. Het suggereert dat de gids dan live aanwezig is De stemmen zijn van mensen die Mathieu Wijdeven heeft geïnterviewd in Suriname en die het levensverhaal van Helstone en ook de belangrijke rol van natuurgoden in de opera inzichtelijk maken.
In het begin komt de voorstelling traag op gang. Er is weinig dynamiek, de nadruk ligt op de vertelling en er komt veel informatie voorbij. Maar gaandeweg het stuk wordt er geacteerd, gezongen, gemusiceerd en dan blijkt er in een dik uur heel veel te gebeuren. Het fantastische verhaal van Helstone wordt steeds helderder en het publiek krijgt tegelijkertijd een impressie van de opera van Helstone.
Nooit gespeelde scènes
De slavernij, de brute, arrogante manier waarop door Nederlanders is omgegaan met bewoners van Suriname wordt terloops, maar meermaals belicht. Het beklijft. De Hernhutters leerden Helstone en andere kinderen lezen, rekenen, taal en muziek maken. Dat vonden de eigenaren van plantages maar niets, het zou het grote verschil tussen bazen en tot slaaf gemaakten onder druk zetten. Dat roept plaatsvervangende schaamte op. Helstone zag die repressie ook. Zo ontdekte Wijdeven dat de componist voor de opera nooit gespeelde scènes heeft geschreven over de bedienden Jan en Maria, mensen met Hollandse namen. Het was zijn manier om die Nederlandse kolonisten onderaan in de hiërarchie te zetten.
De 'broken' piano
Tevens wordt beschreven hoe de componist werd ontvangen in Leipzig. De mensen daar hadden nooit zwarte mensen gezien, behalve op kermissen en in circussen. Ze zaten aan het haar van Helstone en ze wilden weten of zijn huid afgaf. In het stuk wordt uitstekend gezongen en gemusiceerd. Vooral het spel op de ‘broken’ piano is fascinerend en Frank Dolphin Wong bezit een krachtige stem. Een prachtige, aangrijpende scène is het moment waarop brand uitbreekt in de kamer van Helstone in Paramaribo, waarschijnlijk door een omgevallen olielamp bij de bovenburen. Hij verliest alles: zijn piano’s en alle muziek die hij schreef. Hij gaat terug naar Leipzig en komt later weer terug in Suriname met de opmaat voor zijn opera. Daarin geen Griekse en Romeinse goden, zoals in de Westerse cultuur, maar natuurgoden. Dat paste bij het Suriname van die tijd. Naast de Nederlandstalige versie maakte Helstone van de opera ook een Duitstalige versie en in de voostelling zijn sommige aria’s in het Duits.
Met ‘Helstone & Het Pand der Goden’ maakt Mathieu Wijdeven opnieuw een Surinaamse kunstenaar zichtbaar die bij het grote publiek niet bekend is. Het is te hopen dat hij meer verhalen over nog onbekende kunstenaars opduikt, het maakt dat het publiek Suriname, de cultuur van dat land, steeds beter leert kennen. Vanaf september 2026 is de voorstelling te zien in Nederlandse theaters, helaas nog niet in Brabant.
Rupsen, vlinders en idioten
In Pand 18, een oud schoolgebouw, zijn tijdens Theaterfestival Boulevard aanstormende cabaretiers thuis die zijn opgeleid aan de Koningstheateracademie in Den Bosch. Zo speelt Roy Verhulsdonck een deel van zijn voorstelling ‘Rupsen, vlinders en idioten’. Het is een beweeglijke man, wat hij laat zien bij het openingslied dat gaat over zijn volgestouwde dag. Het lied gaat over gezond proberen te leven, shakes, sporten, vooral alles doen om gelukkig te worden, in ieder geval minder ongelukkig. De McDonalds die hij angstvallig probeert te mijden, is nooit ver weg, zo blijkt tijdens de show. Tussen de coupletten door danst Verhulsdonck door de zaal. Mooi bij dit nummer zijn het achtergrondkoor en de muzikant. Die zijn niet live aanwezig, maar staan op band. Het maakt het programma muzikaler en rijker. Tapdansen kan de performer ook, dat is niet meteen het eerste waar je aan denkt bij cabaret. Het strikken van de schoenen is een act op zich.
Twijfel is er in overvloed, net als depressie. In zijn snelle, eerlijke teksten gaat het ook over pijn, struggle in het leven. Zo is er een verhaal over familiefeesten en het contact met zijn broer die hem op alle fronten wil overtreffen, die is leuker, knapper, beter gebekt, althans zo voelt het voor Roy Verhulsdonck, zo vertelt hij. Het is een verademing voor hem als hij beter contact krijgt met zijn neef, een buitenbeentje. Dat maakt familiefeesten ineens een stuk dragelijker. Een aardig nummer is het lied waarin hij als tiener wil lijken op muzikant Lil’ Kleine.
Patser wil schadevergoeding ANWB
Op een speelse manier brengt Roy Verhulsdonck een levensfase in beeld, de jongvolwassene voor wie het niet van een leien dakje gaat. En daar zitten fraaie nummers tussen, zoals het lied over aangereden dieren op de snelweg. Daarbij heeft hij een aardige persiflage op een decadente snob die een dier aanrijdt en dan met de ANWB belt omdat hij schadevergoeding wil, want stukken aan de auto. Tijdens de voorstelling zit het publiek met waaiers op de tribune. Dat heeft met de show niets te maken, maar is een geste van de organisatie. Buiten is het achtendertig graden, binnen niet veel minder.
Festival Boulevard geeft talenten de kans op zich aan het publiek te presenteren. In het verleden speelden studenten van Fontys Hogeschool voor de Kunsten uit Tilburg op het festival, deze keer studenten van Avans Creative Innovation uit ’s-Hertogenbosch en Breda, waaronder ook de Koningstheateracademie valt. Ook de urban wereld uit Den Bosch had een podium, een grote tent op de Parade. Daar waren elke dag korte voorstellingen met breakdancers en demonstraties.
FOTO'S Artemis: @Karin Jonkers
FOTO'S Helstone: @Karin Jonkers
FOTO'S Schapenhoeden: @Kim van der Weerden
FOTO'S Komt dat Zien: @Casper Koster
FOTO Roy Verdulsdonck: @ collectie Roy Verdulsdonck